Historiek van de Laurus Nobilis-kweek in Ruddervoorde

…. en bij Familie Schrauwen 

Het belang van de gemeente Ruddervoorde, met betrekking tot de kweek van Laurus Nobilis kan moeilijk worden ontkend.

Reeds in 1890 won Leon Plovie, een overgrootvader langs moeders zijde van Jean-Marie en Dominiek Schrauwen, talrijke “grand prix d’horticulture” in Roubaix. Prachtige medailles zijn hier het bewijs van. 

Bij zijn overlijden werd hij opgevolgd door zijn beide zonen Gaston en Octaaf, in het ouderlijk bedrijf langs de Hillestraat. Begin de jaren zeventig hield hun bedrijf op te bestaan doordat zij geen opvolgers hadden. De bedrijfsgronden werden verkaveld. 

Ook bij het kasteel Pecsteen was er een kleine opkweek van laurieren. Meer bepaald Arthur Gustaf Adolf Pecsteen, bed-overgrootvader van de huidige baron Humbert, had een verzameling van deze planten. Hij stierf in 1895. Zijn portret, geschilderd door Herbot, hangt nog steeds in het kasteel Pecsteen te Ruddervoorde. Dicht bij de markt van Ruddervoorde was er rond de eeuwwisseling ook het bedrijf Denneweth. Daar werden naast laurieren ook Aspidistras gekweekt. Het bedrijf werd gesloopt in 1926. Ook bij het centrum was er de kwekerij van brouwer Verscheure.

Naast de familie Pecsteen, Verscheure, Denneweth en Plovie is de familie Schrauwen reeds 100 jaar lang actief in het kweken van laurieren.

Wij noteren 1895 als de heer Jan-Jozef Schrauwen uit Kalmthout naar Oostkamp verhuist. In het kasteel Piers de Nieuwburgh wordt hij hovenier en dient hij zich voornamelijk in te laten met het verzorgen van de laurieren. Daar krijgt hij de smaak van deze sierplant te pakken en start samen met zijn twee zonen, Jules en Alfons, aan de Tramstatie te Ruddervoorde, een eigen bedrijf op. Jules Schrauwen blijft op het ouderlijk bedrijf, de huidige woning van Jozef Schrauwen en Alfons start een nieuw bedrijf iets verder richting Markt, waar thans het bedrijf Sylvain Schrauwen en zonen gevestigd is. Ook de zonen van Jules Schrauwen zijn door de laurier-microbe gebeten.

De oudste, Sylvain gaat bij zijn (ongehuwde) nonkel helpen en zet bij diens overlijden de zaak verder. In 1949 wordt hij zelfstandig.

Jozef en Adelin blijven op het ouderlijk bedrijf en werken daar samen tot halfweg de jaren zeventig. Op dat moment wordt de zaak in twee eigen bedrijven gesplitst.

Hilaire start een eigen volledig nieuw bedrijf op de weg naar Torhout. Zo waren er dus in de beginjaren zeventig, vier Schrauwens actief in de laurierbranche.

Nog tijdens die jaren zeventig haakte Sylvain hechter af. Hij ging zich meer toeleggen op openbare werken in groenaanleg en onderhoud. Maar anderzijds startte Lode, de oudste zoon van Adelin in het begin van de jaren tachtig een apart bedrijf. Eerst in Torhout, daarna langs de Canadastraat te Ruddervoorde. Zo bleef het aantal laurierkwekers in de familie toch verder op vier hangen. Maar het zou daar niet bij blijven.

De jaren '80

Eind de jaren ’80 richtte Peter Schrauwen, de jongste telg van Adelin het serrecomplex op in de Sijslostraat. Dit was meteen het vijfde laurierbedrijf op dat moment. En omdat Sylvain, die in ’84 op pensioen ging, geen echte hobby of bezigheid had, werd ook in de St.–Elooisstraat 80 de draad met de laurieren weer opgepikt. Daartoe werd door Jean-Marie en Dominiek in 1987 en 1989 een kweekserrre en hangar geplaatst om de planten te overwinteren. De kennis van vader Sylvain en de nonkels Jozef en Hilaire was in deze beginfase van groot belang. Vooral omdat deze laurierkweek hoe dan ook een nevenactiviteit was en in de toekomst ook zou blijven.

Eind de jaren tachtig waren er dus niet minder dan zes autonome laurierbedrijven van de familie Schrauwen in Ruddervoorde. Wellicht had niemand kunnen denken dat amper acht jaren later nog slechts op één plaats laurieren zouden gekweekt worden. Adelin kwam door ziekte plots te sterven, Hilaire en Jozef gingen op pensioen en hun bedrijven hielden op te bestaan. Lode en Peter hielden, mede door een malaise in de laurierteelt, de kweek voor bekeken.

Beernem

Omdat het terrein te Ruddervoorde te klein was om nog serres of overwinteringsruimte bij te bouwen werd in 1998 te Beernem een bestaande kweek-site aangekocht. Er stonden reeds serres en enkele jaren later werd een nieuwe ruime hangar gebouwd om de laurieren te overwinteren. Ook het hoofdbedrijf te Ruddervoorde blijft echter de passie voor laurier uitstralen.

In Ruddervoorde zal de naam Schrauwen dan ook nog een tijd verbonden blijven met Laurus Nobilis.  Enkele heel oude familie-exemplaren bleven dan ook gelukkig in deze gemeente.

Historiek van de Laurus Nobilis – thans Vlaamse laurier

De Brugse hofbouw kan bogen op een eeuwenoud verleden. De Laurus Nobilis, de specifieke hoofdcultuur van de Brugse bloemisten, is wereldbekend.

Reeds van in de zeventiende eeuw werd in de streek in en rond Brugge aan lauriercultuur gedaan. Onder het impuls van Mgr. Triest, die zelf een vermaarde verzameling bloemen en planten bezat in zijn kasteel “Belvédère” te Akkergem, werd er in het jaar 1651 te Brugge een vereniging gesticht van Bloemlievende Gheesten, die onder de bescherming werd gesteld van de Heilige Dorothea.

Opmerkenswaard is het ook dat de St.-Dorotheagilde van de Bloemlievende Gheesten de oorspronkelijke stichting is van de Koninklijke Maatschappij voor Hofbouw en Fruitboomkunde te Brugge.

Ruddervoorde

Oorspronkelijk was deze hofbouwvereniging geen vereniging van vakmensen, doch groeperen zij uitsluitend liefhebbers van uitheemse en zeldzame bloemen en planten, die er zich onderling toe verbonden, planten, waarvan zij door vermenigvuldiging verscheidene exemplaren gewonnen hadden, aan elkaar te verkopen en te ruilen.

Deze liefhebbers waren aanvankelijk uitsluitend vooraanstaande en gegoede personen, die in vele gevallen een tuinier met verzorging van hun planten belastten. Talrijke zonen van deze tuiniers, die hun vader bij het verzorgen van de planten behulpzaam waren geweest en hierdoor een zekere ervaring hadden opgedaan, vestigden zich later als zelfstandige bloemisten. Daarvan hebben wij twee typische voorbeelden uit Ruddervoorde. De heer Jan-jozef Schrauwen kwam uit Kalmthout en verzorgde de laurieren op het kasteel Piers de Nieuwburg. Samen met zijn zonen Jules en Alfons startte bij een eigen laurierbedrijf in Ruddervoorde.

Anasthase Vincke

De heer Leon Plovie werkte op een kasteel in Noord-Frankrijk en startte nadien een eigen laurierkwekerij te Ruddervoorde. De Koninklijke Maatschappij voor Hofbouw en Fruitboomkunde van Brugge is anno 2013 nog steeds in het bezit van de zorgvuldig bewaarde programma’s met de namen van de deelnemers aan de jaarlijkse tuinbouwtentoonstellingen, die gedurende de jaren 1825 tot 1899 elk jaar gedurende drie dagen in de stadshallen en op de markt gehouden werden.

De oudst gekende bloemist te Brugge was de Heer Anasthase Vincke. Volgens onweerlegbare oorkonden was de grootvader van Anasthase Vincke, die in het jaar 1617 geboren werd, reeds bloemist en kweekte van toen af laurieren. Wel is niet met zekerheid geweten of deze Anasthase Vincke bij één of andere vooraanstaande familie tuinier was. Gezien de tot stand gekomen liefhebberij van destijds mag dit echter als zekerheid aangenomen worden. De firma G. Vincke Dujardin was leverancier aan het Hof en werd meermalen bezocht door Z.M. koning Leopold II.

Uitbreiding van de kweek van laurier

Na de start in de 17de eeuw was het echter pas vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw dat de kweek van laurier een uitbreiding heeft genomen. Rond dat tijdstip werden in Brugge steeds meer bloemisterijen opgericht met als hoofdactiviteit de laurierteelt.

Na Brugge volgden de randgemeenten en nagenoeg over de hele provincie West-Vlaanderen werden er hier en daar plaatsen aangetroffen waar er aan lauriercultuur gedaan werd. Ook buiten Brugge werden kleinere centra gevormd, zoals bijvoorbeeld te Oudenburg, Ruddervoorde en Oedelem. De laurier moet als een zeer winstgevende of voorname cultuur bekend geweest zijn. Er werd niet alleen gekweekt door beroepsmensen, maar ook door tal van liefhebbers en gelegenheidskwekers, zoals brouwers, geneesheren, zonen van gegoede landbouwers, ambtenaren, alsook door talrijke adellijke families, die met deze cultuur een bijverdienste beoogden.

Exportaties

Van het einde van de negentiende eeuw af begint de export van de laurieren naar alle Europese landen op grote schaal en wordt deze plant als zeer voornaam beschouwd. In alle keizerlijke of koninklijke kringen, stelt de hoge adel het zeer op prijs, eveneens in het bezit te zijn van een verzameling laurieren, die in verscheidene vormen gekweekt waren.

Bloemisterijen werden opgericht met als hoofdcultuur de laurier. Rond deze tijd floreerden toen wel 100 bedrijven die hele treinladingen naar het buitenland exporteerden. Vooral de tsaren in Rusland waren verzot op deze Vlaamse planten. Er werden exemplaren met een diameter van enkele meters naar het buitenland verstuurd.

De reeds verworven faam van de laurier en de steeds toenemende belangstelling voor deze plant waren vanzelfsprekend een aanmoediging om het aantal hofbouwbedrijven in het Brugse met het jaar te doen toenemen, wat dan ook het geval was vanaf de jaren 1870 tot 1900. Naast Gent stond Brugge hiermee wereldbekend als hofbouwcentrum.

Leys en Schrauwen families

Anno 2013 zijn er nog een 15-tal kwekers over het hele land (uitsluitend Vlaanderen). Velen vielen weg, maar merkwaardig genoeg kwamen er in het laatste decennium toch nog enkele nieuwe bij.  Een ander opmerkelijk gegeven is dat de familietraditie niet altijd meer in eer wordt gehouden. Nu reeds kan voorspeld worden dat binnen de eerste 5 à 10 jaar nog enkele familiebedrijven zullen verdwijnen. Vermeldenswaard zijn de nog twee resterende families die van generatie op generatie reeds sinds heel lang en tot op vandaag nog steeds actief zijn met de laurierkweek.

            De familie Leys sinds 1884  -  De familie Schrauwen sinds 1895

De Vlaamse laurierkwekers zijn verenigd in de Vlaamse Laurier Vereniging. Dit voor gezamenlijk onderzoek op gebied van opkweek en ziektebestrijding, voor medewerking aan grote manifestaties zoals bloementapijten, floraliën enz.   Vorig jaar werd een dossier ingediend voor de erkenning als “Europees streekproduct”. De behandeling van het dossier zit op de goeie weg zodat De Vlaamse laurier,  net als bvb. Belgisch witloof en de Gentse azalea de waardering zal genieten die ze al zeer lang verdient.